Plezierig verpozen.

De tuin als kunstenaarsmateriaal

Anton Staartjes
 

Hoewel de hedendaagse tuinkunst een indrukwekkend (kunsthistorisch) verleden kent, is er toch maar weinig inhoudelijke waardering voor. Wat een tuinman (of tuinarchitect) doet vinden we knap maar hem (of haar) een kunstenaar noemen is vaak een stapje te ver. Toch biedt de tuin interessante opties voor hedendaagse beeldend kunstenaars.

Vanaf het moment dat mensen er voor kozen om in min of meer vaste woonplaatsen te verblijven, legden ze tuinen aan. Het waren de akkertjes waarop allerlei gewassen voor het dagelijks gebruik werden verbouwd. Om schadelijk gedierte en kwaadwillende buren buiten te sluiten werden de percelen afgerasterd of omheind. Voor een afrastering gebruikte de eerste tuiniers vaak taaie en stevige planten zoals de wilg en de meidoorn. De takken van deze planten lieten zich goed tot een ondoordringbare barrière vervlechten. Zo’n omheining heette een tuun en daar komt het woord tuin vandaan. De naam van de omheining werd later de naam van het omsloten terrein. 

In de beslotenheid van de omheining werd een tuin al snel meer dan het functionele lapje grond voor het verbouwen van nuttige gewassen. Zo moesten de middeleeuwse kloostertuinen Gods schepping verbeelden. Ook was er een relatie met het bijbelse paradijs.

middeleeuwse tuin
Middeleeuwse tuin

In kloostertuinen verbouwden de monniken geneeskrachtige kruiden en bloemen voor kerk en altaar. Naast het directe nut van de kruiden en bloemen hadden de kloostertuinen ook functie voor reflectie en meditatie van de kloosterlingen. De middeleeuwse kasteeltuinen hadden voor een deel een zelfde functie als de kloostertuinen. Hiernaast boden zij ook de mogelijk tot het ‘plezierig verpozen’ in de tuin als lusthof. In de late middeleeuwen en renaissance werd op dit plezierig verpozen steeds meer een doel op zich in het tuinontwerp. Hoewel de moes- en kruidentuinen hun functie – tot op de dag van vandaag –  behielden, ontstonden er rond de villa’s van rijke burgers fraaie, strikt recreatieve tuinen. Rond grote steden als Rome en Florence vinden we de eerste tuinen met de hagen, loofgangen en de beeldbepalende borders met buxuspatronen. Na 1500 kwam dit ook in Frankrijk. In dit land lieten de koningen de tuinen aanleggen. Karel VIII nam hiervoor de Italiaanse kunstenaar Pacello da Mercogliano in Dienst. 

Chateau Villandry

Zeer bekend werden de tuinen van Fontainebleau, Chenonceau en de Jardin de Luxembourg die latere Franse koningen lieten aanleggen.  In latere eeuwen is het concept van het tuingenot, het binnen een omheining plezierig verpozen, niet meer veranderd. Iedere periode in de geschiedenis heeft echter zijn eigen opvattingen en stijlelementen losgelaten op het ontwerpen en aanleggen van tuinen. 

Buitenplaats.

In Nederland zijn er een aantal tuinen en landschapsparken waarin Italiaanse, Franse en Engelse invloeden zijn terug te vinden. Met name in de grotere parken passen tuinarchitecten eind 1700 de zogenoemde Engelse landschapsstijl toe. Deze kenmerkt zich door romantische invloeden met slingerpaden, waterpartijen en folies (bouwwerken). Bekende tuinen uit die periode zijn de Keukenhof (1772), Amelisweerd (1770) en Park Sonsbeek (1780). Na 1800 verandert het karakter van de parken. Onder invloed van de tijdgeest (de revoluties) worden de afgesloten buitenplaatsen getransformeerd in open wandelgebieden voor de bevolking. Het vroegere beslotene van de tuinen verdwijnt hiermee en openheid komt hiervoor in de plaats. Dit ook in letterlijke zin: grote open velden met vergezichten en grote vijvers laten een nieuwe schaal zien. In open ruimten staan solitaire bomen of boomgroepen geplant. Het Haagse Bos, Clingendael en het Vondelpark in Amsterdam zijn voorbeelden van dit soort wandelgebieden. 

Landgoed Waterland (Velsen).

In de grote parken is de Engelse landschapsstijl ook praktisch. Door de ruimte is er weinig onderhoud en veel plek voor wandelen en sportbeoefening. Toch is de gehanteerde formule minder geschikt voor de vraag om villa-tuinen en plantsoenen in woonwijken die begin 1900 ontstaat. Er ontstaat discussie over het tuinbeeld: moet de nadruk liggen op het menselijk ingrijpen of op het natuurlijke? 

Oplossing is de ‘gemengde stijl’ die rond 1900 als zelfstandig stijlbeeld ontstaat. Dicht bij de bebouwing laten tuinen een formeel en complex beeld zien dat verder weg overgaat in een meer landschappelijke beplanting. In dezelfde periode ontstaat er ook een duidelijker integratie van architectuur en tuinontwerp. Muren, trappen, pergola’s en loggia’s verbinden het gebouwde met de tuin. Voorbeelden van tuinen in een gemengde stijl zijn het Rengerspark in Leeuwarden en park Warmelo in Diepenheim.

amsterdam zuidoost
Amsterdam Zuidoost

Waar de functie van de tuinen en parken zich aanvankelijk beperkte tot wandel en sportgebieden, kwamen er in de moderne tijd een groot aantal functies bij. Niet alleen als beeldenpark zoals Kröller-Möller (1964) maar ook als woongebied zoals het ontwerp van Lelystad en de Bijlmermeer. 

Particuliere tuinen.

In de moderne tijd zijn tuinen een niet meer weg te denken onderdeel van onze leefomgeving. Met het toenemen van de welvaart kwam er steeds minder nadruk op het praktisch nut van een moestuin en blijft de siertuin over. De eigenaren of huurders onderhouden zelf de kleine particuliere tuinen in de woonwijken. In de jaren ’50 en ’60 was er nog weinig variatie in aanleg en vormgeving: een grasveld met een omranding van bloemen en struiken was het gangbare ontwerp. Pas na de jaren ’70 veranderde het aanzien. Mensen kregen meer vrije tijd en tuinieren werd een breed beoefende hobby. Het gevoel dat de ‘vrije‘ natuur steeds meer op de achtergrond raakte, bracht veel tuinders er toe om binnen de eigen omheining te proberen een stukje natuur te redden. Anderen zochten het in simpeler te onderhouden vormen zoals bebouwing of betegeling. Hoewel een enkeling nog de moeite neemt om – vaak biologische – groente en fruit in een particuliere tuin te verbouwen, ligt de nadruk geheel op het ‘plezierig verpozen’. 

Tuin aangelegd door Mien Ruys

Tuinarchitect Mien Ruys (1904-1999) was een belangrijke schakel in de ontwikkeling van tuinen in Nederland. ‘Het enige wat ik kan is thee zetten en tuinen aanleggen’ is een bekende uitspraak van haar. Tuinen aanleggen heeft ze 70 jaar lang gedaan. Als ontwerpster was ze sterk beïnvloed door Piet Mondriaan een Gerrit Rietveld. In het achterwege laten van versiering en het zoeken naar eenvoud en duidelijkheid heeft ze dezelfde uitgangspunten als genoemde ontwerpers. Een tuin is voor haar een omsloten geheel waarin de natuur wordt beheerst. Verwildering is daar geen onderdeel van. Het spanningsveld tussen mens en natuur vulde Ruys in met de kwaliteiten van de door haar toegepaste materialen. Planten ziet ze niet als een stukje natuur maar als schilderachtige elementen met vormen en kleuren. Tegenover de door mensen gemaakte strakke, vaak geometrische vormen, plaatste zij losse en grillige natuurlijke elementen. De natuur was immers veel beter in staat deze te maken vond zij. Een tuin moet van beide ‘materialen’ het beste laten zien. Dus ontwerpt zij met eenvoudige, strakke vormen en kiest beplanting die voor de natuurlijke vrijheid moet zorgen. Haar ontwerp-bureau (Buro Mien Ruys) bestaat nog steeds en is gevestigd in Amsterdam. 

Therapie.

Hoewel (de beslotenheid van) de tuin en de openbare ruimte een contradictio in terminis lijkt, is alleen de terminologie diffuus: tuin/park ontwerp en landschapskunst lopen hier door elkaar. Het plezierig verpozen wordt vaak uitgebreid met andere, aan betrokken openbare ruimte gerelateerde functies. Bijvoorbeeld het therapeutisch aspect van het plezierig verpozen in een tuin. De tuin van de Tilburgse organisatie Amarant is hier een voorbeeld van. ‘Een tuin waarin gesnoezeld kan worden’ was het uitgangspunt bij de invulling van het tuinontwerp. Snoezelen is een combinatie van snoezig en doezelen en wordt bij Amarant als therapievorm toegepast om bij de verstandelijk gehandicapte bewoners een gevoel van rust en tevredenheid op te roepen. Beeldend kunstenaar Hans Venhuizen ontwierp de tuin. Titel van het project is ‘De Parkettuin’. De ordening bestaat uit een visgraatmotief dat 85 haaks op elkaar staande ‘kamers’ oplevert, ieder van 3 x 7,5 meter. Invulling van de kamers is afgestemd op de snoezelbehoefte van de diverse groepen bewoners. Alle groepen beschikken over meer kamers die zo zijn gerangschikt dat ze een duidelijk aangegeven en makkelijk te volgen route vormen. Zo staat in de route voor autisten structuur voorop en is de route voor ouderen voorzien van rustplekken in de vorm van bankjes.

Hortus Conclusus (Courtesey SKOR)

Ook de Hortus Conclusus die het kunstenaarsduo LaSalle (Albert Goederond en Patty Struik) voor het verpleeghuis Polderburgen in Almere ontwierpen heeft een functie in de beleving van de bewoners. De besloten binnentuin is ontworpen als ‘kijktuin’. De bewoners beleven het hof het grootste deel van het jaar achter het glas van de glazen gang die de binnentuin omsluit. LaSalle ontwierp een installatie die bestaat uit transparante, bedrukte kunststof borden verspreid langs de tuin en zichtbaar vanaf binnenstraat. In hun conceptvoorstel schreven LaSalle: “Tuinen zijn plaatsen waar de natuur buitengesloten wordt en tegelijkertijd zichtbaar wordt gemaakt. Soms komen deze twee werelden, die van het “onwereldse” ideaalbeeld en die van het reële landschap bij elkaar, zoals in de omsloten tuin, de hortus conclusus”.

Watergoed.

Filosoof, beeldend kunstenaar en bioloog herman de vries (1931) ziet zijn naam graag zonder hoofdletters gespeld, dit om ‘hiërarchieën te vermijden’. Tijdens zijn werk als plantkundige voor de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen begon hij begin jaren ’50 zich bezig te houden met het maken van beeldende kunst. Het oeuvre dat hij in meer dan 50 jaar kunstenaarschap opbouwde staat vrijwel volledig in het teken van beeldend onderzoek. Door vrijheid en openheid kunnen wetenschap en kunst volgens hem geen tegenstellingen van elkaar zijn. De natuur is onze primaire werkelijkheid en haar bestuderen is een openbaring. Als je maar goed kijkt kun je alles wat daadwerkelijk van belang is in het leven er vinden. herman de vries toont de natuur zoals zij is en zij zich openbaart in zijn atelier van 400m2 op een weide in Eschenau, in het zuiden van Duitsland.

Weerribben
Landschapspark Weerribben

Op voorstel van Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) werd aan hij gevraagd een plan te maken voor een gebied grenzend aan de Weerribben in de Kop van Overijssel. Het project gaat over een gebied dat weer terug gegeven zou worden aan de natuur. In samenwerking met landschapsarchitect Kees Kloosterman werkte herman de vries van 1993 tot 1999 aan het project dat de naam ‘Watergoed’ kreeg. Hij ontwikkelde voor dit gebied een ontwerp-methode die een artistiek maar niet subjectief alternatief biedt voor de eenzijdige technocratische aanpak die de ecologen over het algemeen hanteren.

Het gaat over een 600 hectare groot veengebied dat volledig is afgegraven. Het is de bedoeling dat dit terrein in de komende tachtig jaar opnieuw een moerasbos gaat worden. Om dat te bereiken wordt het vooralsnog ingericht als een watergoed. Dit in de vorm van een landgoed met verschillende verschijningsvormen van water en begroeiing. Het gebied wordt volgens de bestaande verkaveling ingedeeld in terrassen met onderling verschillende niveaus en uiteenlopende begroeiing. Dit om het zogenaamde verlandingsproces op gang te brengen. De mens wordt nadrukkelijk uitgenodigd toeschouwer te zijn. Maar daar blijft het bij: de natuur moet zelf het werk voltooien. Daarom wordt het gebied doortrokken met een bevaarbaar waterlabyrint, met wandelpaden, bruggetjes en oversteken en zelfs mogelijkheden om op het water te wonen of kamperen.

Weerribben
Landschapspark Weerribben

Ecokathedraal.

Een interessante kunstenaar binnen dit thema van kM is Louis le Roy. Hergebruik en duurzaamheid van zijn kunstenaarsmateriaal staan in zijn beeldende kunstprojecten centraal. Hij vindt dat de mens zo moet leven, dat het natuurlijk evenwicht in zijn omgeving bewaard blijft. Die balans is op dit moment ernstig verstoord. Onze natuurlijke reserves raken in hoog tempo op. Dit zijn niet alleen gas, olie en steenkool maar volgens Louis Le Roy ook de in de bodem aanwezige voorraden stikstof en kalk die onmisbaar voor de plantengroei zijn.

De Tuin van Le Roy aan de Kennedylaan en de Europalaan in Heerenveen, later ook bekend onder de naam ‘Wilde Tuin’, is eind jaren zestig naar de filosofie van Louis le Roy in samenwerking met de gemeente Heerenveen aangelegd. In de jaren die volgden kwam de ontwikkeling ervan op gang. Eerst werd puin van gesloopte woningen gestort op een kilometer lange groenstrook, gelegen in het midden van Heerenveen. Hierna werd er een grondlaag op aangebracht die al snel begroeide. In de eerste jaren na de aanleg heeft de tuin zich kunnen ontwikkelen tot een bijzonder park waar planten en bomen zich vrij konden ontwikkelen. Er ontstond er een unieke wandelroute waar veel mensen nog steeds graag doorheen wandelden.

Ecokathedraal
Louis G. LeRoy in zij eco-kathedraal in Mildam. (Courtesey Stichting De Tijd) FOTO: Peter Wouda

Een ander project van Louis le Roy is zijn ecokathedraal. Het is een gestapeld – niet gemetselde – bouwwerk van diverse restmaterialen. Net als zijn ‘wilde tuin’ is het groeiproces van de ecokathedraal afhankelijk van de beschikbare materialen. Voor de ecokathedraal bestaat geen bouwtekening. Louis le Roy begon in 1982 met zijn kunstwerk. Omdat er nog steeds in de vorm van stoeptegels of betonnen paaltjes bouwmateriaal wordt geleverd, is de ecokathedraal nog steeds in ontwikkeling. Vrijwilligers van de Stichting TIJD ondersteunen inmiddels de kunstenaar en helpen met het opstapelen van het beschikbare bouwmateriaal. De ecokathedraal staat in Mildam (bij Heerenveen).